Soorten

Wintervliegen

'Wintervlieg' is een niet wetenschappelijke naam voor iedere vlieg, die 's winters binnenshuis rondvliegt. Het kan een exemplaar zijn van één van de hieronder besproken soorten, maar vaak is het ook een gewone Huisvlieg.

Huisvliegen overwinteren hier te lande niet in een bepaald stadium; ze slaan zich er meestal in bijv. verwarmde stallen doorheen, waar ze zich het gehele jaar door kunnen voortplanten. Komt er dan één per ongeluk in de kamer terecht, dan is er sprake van een Wintervlieg.


Bruinoogje of Gewone Grasvlieg, Chrysopa carnea

Als men deze dieren onder de juiste belichting bekijkt, glinsteren de ogen als goud, en met hun grote, doorzichtige, wat groenig gekleurde vleugels zijn ze een van de meest elegante insecten.

In de zomer leven Bruinoogjes in de vrije natuur; ze vliegen 's nachts stilletjes rond en verdwalen soms, aangetrokken door het licht in onze huizen. Verder treft men ze vaak 's winters in huis aan, vooral op zolders en in schuren. Buiten kruipen ze weg onder schors, een steen of dergelijke plaatsen. Als het op hun overwinteringplaats in de loop van de winter warm blijft, blijven ze wakker, wat gewoonlijk betekent dat ze van honger dood gaan. Maar als alles goed gaat, blijven ze de gehele winter onbeweeglijk zitten en worden pas door de warmte van het voorjaar wakker.

In een huis blijven ze bij hun pogingen om naar buiten te komen vaak voor de ramen steken, waar ze van honger en dorst omkomen. Als het ze lukt om naar buiten te komen, zoeken ze planten op, waarop bladluizen leven en leggen snel hun eieren in klompjes op de bladeren. De larven leven nl. als roofdieren van andere kleine insecten, hoofdzakelijk van bladluizen.

Het aantal Bruinoogjes wisselt dan ook, afhankelijk van het aantal bladluizen. Zijn er in een bepaald jaar veel bladluizen geweest, dan kan men in de volgende winter veel overwinterende Bruinoogjes vinden.

Behalve dat het bijzonder mooie dieren zijn, zijn ze bovendien zeer nuttig; men moet ze dan ook niet bestrijden. Integendeel, men dient te proberen ze te helpen door ze zo snel mogelijk naar een onverwarmde kamer over te brengen, en als het in het voorjaar tijd is om ze te wekken, weer naar buiten.


Klustervlieg, Pollenia rudis

In vele huizen verschijnen in de loop van de winter regelmatig enkele grote, grijzige vliegen. Op bepaalde plaatsen kunnen ze zelfs een plaag worden. Er zijn er soms duizenden, die half versuft rond de lamp zoemen, in de koffiekopjes vallen, etc. Het betreft hier Klustervliegen, een soort van Vleesvliegen. Ze hebben echter geen metaalglans, zoals de gewone Vleesvliegen, ze lijken meer op een sterk uitgegroeide Huisvlieg. Ze zijn te herkennen aan de massa kleine gouden haartjes op het voorste deel van het lichaam.

Hun levensloop is geheel verschillend van die van de Vleesvliegen en ze komen niet op de etenswaren in huis af. Ze leggen eieren in de grond; de uitgekomen larven boren zich in regenwormen naar binnen, waarin ze als parasieten leven.

's Zomers ziet men deze vliegen niet, ze blijven buitenshuis en bezoeken bloemen om er nectar te zuigen. Laat in het najaar zoeken ze een overwinteringplekje en vaak kan men zien dat ze zich dan in massa's op door de zon beschenen muren verzamelen. Daarna proberen ze naar binnen te komen, waar ze in groepjes op geschikte plekjes bij elkaar gaan zitten, bijv. in holle ruimten of hoeken op zolders en in onverwarmde kamers. Ze hebben de neiging om ieder jaar weer hetzelfde huis op te zoeken en vooral hooggelegen gebouwen hebben hierbij de voorkeur.

Zolang het plekje dat ze hadden uitgekozen de gehele winter door koel blijft, blijven ze tot het voorjaar onbeweeglijk zitten. In het voorjaar worden ze dan door de warmte gewekt en zoeken ze het licht weer op. Wordt de kamer echter in de loop van de winter verwarmd, dan

worden ze weer actief en beginnen weer rond te kruipen. Zoiets kan bijv. gebeuren als men een wintervakantie in een tweede woning doorbrengt.

 

Herfstvlieg, Musca autumnalis

Herfstvliegen zijn nauw aan de Huisvlieg verwant en ze zijn er dan ook moeilijk van te onderscheiden. De Herfstvliegen leggen hun eieren in verse koeienvlaaien in het veld en de larven leven van de mest.

De volwassen vliegen blijven buiten in de buurt van rundvee en men ziet er 's zomers dan ook geen enkele binnenshuis. In het najaar proberen ze vaak schuren en koele zolderkamers binnen te komen, waar ze zich, net als de Klustervliegen, in spleten en hoekjes verbergen en de hele winter door inactief blijven zitten. In het voorjaar worden ze door de warmte weer wakker en vliegen naar buiten.

Net als de Klustervliegen kunnen ze echter midden in de winter te voorschijn komen, als de kamer waar ze zitten verwarmd wordt.

 

Grasvlieg, Thaumatomyia notata

Grasvliegen zijn nogal kleine gelige vliegen met een zwarte tekening. In het najaar

proberen ze vaak in grote zwermen gebouwen binnen te komen om daar te overwinteren. Ze zijn makkelijk te verwarren met Azijnvliegen; ze zijn echter lichtgeel, zijn niet op zoek naar etenswaren en richten binnenshuis geen schade aan. Deze kleine vliegjes zullen vrijwel altijd de bovenste etages van een huis proberen binnen te komen. Vaak zijn deze huizen met klimop of wilde wingerd begroeid; dergelijke dichte begroeiingen zijn de natuurlijke overwinteringgelegenheden van deze vliegen. De larven leven in verschillende soorten gras.

 

Muggen

Muggen zijn normaliter zomerdieren.  Een paar soorten echter vallen vooral in de winter op, omdat ze onze huizen opzoeken om erin te overwinteren.

Geringde Steekmug, Culiseta annulata.

De Geringde Steekmug is een grote, grijze mug met witte ringen om de poten. De bevruchte wijfjes overwinteren op geschikte koele plaatsen binnenshuis. Als ze tijdens deze winterslaap echter gestoord worden, ontwaakt hun bloeddorst helaas vaak eveneens. Het is vrijwel altijd deze soort waardoor men ook 's winters een muggenbeet kan oplopen.

 

Gewone Steekmug, Culex pipiens.

De Gewone Steekmug is een kleine, bruinige mug, die men vaak in grote aantallen overwinterend kan aantreffen, bijv. in vochtige kelders. Als ze worden verontrust, kunnen ze net als de Geringde Steekmug weer gaan rondvliegen. Gelukkig worden mensen slechts zeer zelden door hen gestoken; ze geven de voorkeur aan het bloed van vogels.

 

Vlinders, Lepidoptera.

Vlinders overwinteren vaak in huis. Op veel zolders zijn 's winters Kleine Vossen, Aglais urticae, en Dagpauwogen, Inachis io, te vinden. Ze zitten in hun typische slaaphouding met de vleugels boven de rug samengevouwen. Men dient ze met rust te laten, want als ze in de warmte komen gaan ze onherroepelijk dood. In het voorjaar komen vele vlinders om, doordat ze, aangelokt door het licht, tegen de ramen blijven vliegen tot ze hun laatste reserves hebben verbruikt. Men doet er goed aan om ze dan naar buiten te helpen.

 

Koolwitjes, Pieridae.

Het Grote Koolwitje, Pieris barssicae, kan hier te lande als pop overwinteren. De meeste Koolwitjes die hier 's zomers rondvliegen, zijn immigranten uit Midden-Europa.

Vooral hun nakomelingen richten hier schade in de groente aan. De rupsen van het laatste legsel verlaten als ze zich gaan verpoppen de planten waarop ze hebben geleefd. Daarom kan men soms op weggetjes en paadjes in de nabijheid van een koolveld grote aantallen rupsen vinden. Ze zoeken een beschut plekje om te verpoppen, en men ziet ze vaak tegen boomstammen opkruipen, tegen schuttingen of de muren van huizen. Als ze een geschikte plaats hebben gevonden, voeren ze een waar kunststukje uit. Ze spinnen zich aan de ondergrond vast met een stevige lus over hun rug. Daarna vervellen ze weer en deze keer komt er een harde, kantige, onbeweeglijke pop te voorschijn. Deze Koolwitjespoppen zijn de gehele winter in en op het huis te vinden. In het voorjaar komen de vlinders uit en vliegen de vrije natuur in.

Het gebeurt vaak dat de rupsen niet zover komen dat ze zich kunnen verpoppen. Direct nadat ze inactief worden komt er een massa kleine larven uit, die zich direct in gele cocons inspinnen naast de rups, waarvan alleen de lege huid is van achtergebleven. Deze larven zijn van een kleine Sluipwesp. Hun moeder had met haar spitse legboor de eieren in de rups gelegd, en de larven van de wesp hadden hem eenvoudig van binnen uit geheel opgegeten.

 

Zevenstippelig Lieveheersbeestje,
Coccinella septempunctata.

In het laatst van de zomer kunnen de Zevenstippelige Lieveheersbeestjes in zeer grote aantallen voorkomen. Ze zijn uit de velden, waar ze van bladluizen hebben geleefd, naar hagen en bosranden gekomen. Hier verzamelden ze zich om er op beschutte plaatsen, onder schors of stenen, te overwinteren. Soms vinden ze hun weg ook naar onze huizen en daardoor is het mogelijk dat er 's winters binnen plotseling een Lieveheersbeestje opduikt. Het betreft dan een overwinterend exemplaar dat uit zijn schuilplaats is gekropen.

 

Wespen.

Indien men 's winters bij het opruimen van een zolder een grote en zeer slaperige wesp aantreft, die op een goed beschutte plaats zit verscholen, dan gaat het om een overwinterende jonge koningin.

 

Muizen.

Indien er in het najaar een invasie van muizen plaats heeft, gaat het vrijwel altijd om Huis- of Bosmuizen. Andere muizensoorten kunnen wel eens in huis verdwalen. Ze kunnen er echter niet lang in leven blijven.

 

Huismuis, Mus musculus.

In het zomerhalfjaar leven vele huismuizen buiten in de velden: ze verwijderen zich echter nooit te ver van bebouwingen. Vanaf half augustus, nadat de oogst van de velden is gehaald, beginnen deze Huismuizen weer onze woningen binnen te trekken. De grootste invasie heeft medio september plaats.

 

Bosmuizen, Apodemus.

Van beide soorten, de Gewone Bosmuis, Apodemus sylvaticus en de Grote Bosmuis, Apodemus flavicollis, leven vrijwel alle exemplaren het gehele jaar in de vrije natuur. Als ze onze huizen binnendringen, gebeurt dat gewoonlijk later dan de Huismuizen, vaak pas tegen het einde van oktober. Ze kunnen in de loop van de gehele winter door blijven komen, kennelijk houdt dit verband met het opraken van hun voedselvoorraden in hun natuurlijke verblijfplaatsen.

In de natuur leven Bosmuizen van allerlei zaken, ze zijn verzot op noten en amandelen. Indien ze fruitkisten kunnen binnendringen, dan kunnen ze hierin grote schade aanrichten, omdat ze de vruchten kapot knagen om bij de pitten te kunnen komen.

Bosmuizen komen van nature vooral in bossen voor, maar leven ook in parken en tuinen met verspreid staande bosjes en bomen. Indien men in de nabijheid van een bos woont, moet men er rekening mee houden dat ze op bezoek kunnen komen.

 

Contact   Home